• ´66 Maastricht – Galerie Schunck
  • `67 Maastricht – Galerie Felix
  • `67 Utrecht – Het studentenhuis
  • `67 Brunssum – De galerie
  • `68 Heerlen – Het raadhuis
  • `68 Amsterdam – Bolstaverne
  • `69 Maastricht – De Jong Berger
  • `73 Roosteren – In den Hook
  • `76 Maastricht – Studio Agora
  • `77 Heerlen – De Caumermolen
  • `80 Maastricht – Bonnefanten Museum
  • `85 Venlo – Museum van Bommel van Dam
  • `86 Amsterdam – SBK Amsterdam Historisch museum
  • `87 Utrecht – Genootschap der kunstliefde
  • `88 Maastricht – Galerie Anny van den Besselaar
  • `91 Cadier en Keer – Galerie de keerder Kunstkamer
  • `92 Oostende/ Maastricht – Maastrichtse kunstenaars
  • `92 Hoorn – Nederland diagonaal
  • `94 Tokio/ Shangai/ Mexico-city/ New-York – Limburgse kunstenaars
  • `95 Maastricht – Galerie Dis
  • `95 Maastricht – Galerie Anny van den Besselaar
  • `97 Gulpen – Galerie de auw sjoekelaatfabriek
  • `99 Vaals – Galerie Het Veurhoes
  • `02 Schinveld – Illustraties boekwerk `Je moet weten hoe haas hupt`
  • `06 Meerssen – Expositie gemeente Meerssen
  • ’08 Maastricht – Schiltaere galerie

Expositie Harrie Bartels
Gemeente Meerssen exposeert uit eigen collectie
Veel kunstwerken die zich bevinden in de collectie van de gemeente Meerssen dateren uit de periode van de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR). De BKR heeft haar wortels in de tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog.

In 1949 werd de Regeling Sociale Bijstand voor Beeldende Kunstenaars ofwel de Contraprestatieregeling ingevoerd. In 1956 werd deze regeling omgezet in de BKR. De Contraprestatieregeling en de BKR hadden een sociaal karakter.

Het waren inkomensvoorzieningen voor kunstenaars. De kunstenaar die gebruikmaakte van de BKR moest per jaar een aantal werken aanbieden die door de overheid werden gekocht. Op deze manier was de kunstenaar verzekerd van werk en inkomen, maar tegelijkertijd kwam de overheid in het bezit van een enorme hoeveelheid kunstwerken. Deze kunstwerken zijn vaak opgeslagen in depots. Met de kunstwerken werd verder niets gedaan. In de periode 1984 1987 is de BKR geleidelijk beëindigd.

Ook de gemeente Meerssen beschikt over een behoorlijke collectie.
Een deel van de werken hangt in scholen en in gemeenschapshuizen. Een ander deel is echter opgeslagen. Het beeld bestaat dat tijdens de BKR-periode de overheid niet lette op de kwaliteit van de kunst die zij aankocht. De kwaliteit van de kunst van BKR-kunstenaars wordt meestal niet hoog ingeschat.

Dat geldt echter niet voor de BKR-collectie van de gemeente Meerssen.
Aangezien de gemeente Meerssen beschikt over een hoogwaardige collectie, wil zij die actiever voor het voetlicht gaan brengen. Vandaar dat de gemeente een serie tentoonstellingen gaat organiseren met werken uit haar collectie uit de BKR periode.

In de eerste expositie worden werken van Harrie Bartels tentoongesteld. De gemeente Meerssen beschikt over een kwalitatieve representatieve collectie van het werk van Harrie Bartels. Door deze werken te exposeren in de Geulgalerie van het Stella Maris College wil de gemeente het publiek kennis laten maken met haar collectie en ook de aandacht vestigen op de BKR-periode. Deze expositie kan namelijk de aanzet geven tot een herwaardering van de BKR-tijd

Hier vind u informatie en naslagwerk over alles wat er nog te vinden is via filmband en mediaberichten is verspreid. Van anekdotes van collega’s en vrienden tot en met kunstcritici en familie.

Hard aan de weg timmeren heeft de schilder Harrie Bartels nooit gedaan. Het eigenaardige aan hem is juist een soort stilte, die tekent zowel zijn persoon als zijn werk als zijn leven. De korte periode dat hij in Zuid-Limburg tot de contestanten leek te behoren doet geen afbreuk aan dit beeld. Bijna altijd als toen – 1968, 1969 – vooral Hans Mol en Ger Brouwer (ontbijt op bed) op provocatie-tour .-
waren, vond je Harrie Bartels in hun onmiddellijke nabijheid, maar zwijgend en, zelfs als hij er vanwege wat veel glaasjes bier daarbij toch enigszins verhit uitzag, eerder glimlachend.

Bijeenkomsten van de raddraaiers of bijeenkomsten die zij juist kwamen verstoren, daar legde Harrie Bartels ten hoogste een zeer peiselijk muziek ­vloertje in, dikwijls daarbij geassisteerd door niemand minder dan Leo Cuypers, dus helemaal niets, kon Harrie’s optreden muzikaal voorstellen al was het niet meer dan een soort getokkel op de rondzoemende spaken van een op ’n sigarenkistje gemonteerd fietswiel, met een microfoontje eronder. Ik zie Harrie nu ik daaraan terugdenk, nog gemakkelijk zo zitten, in kleermakerszit op de vloer, het bovenlichaam gebogen over zijn speeltuig, wolkjes psychedelische rook rond zijn stille hoofd, met glimmende oogjes – ik weet niet waar precies, ’t moet op vele verschillende locaties zijn geweest die in mijn herinnering door elkaar zijn gaan lopen, maar· er lagen daar zware tapijten onder zijn instrumentarium en zijn eigen toen ietwat pasja ­achtige gestalte zodat toen al de sfeer van Marokko rond hem hing, het land dat hem kort daarna vertrouwd is geworden, lief, veel liever dan enige andere streek op de aardbol, die hem benauwt. Dat wil zeggen niet die bol benauwt hem maar wat erop zit, vooral de mensen die er de boel regelen en de sociale, politieke en economische structuren die zij iedereen onder ordenen. Die benauwdheid heeft hij waarschijnlijk altijd al gekend, in elk geval is hij na het gymnasium, toen hij moest beslissen wat hij worden wou, zoals hij zelf zegt eigenlijk alleen daarom “het schilderen in” gegaan, omdat hij zo de burgerlijkheid van zijn milieu zou ontkomen waarvoor hij voelde geen enkele verantwoordelijkheid op zich te kunnen nemen.

Na zijn opleiding is hij lang in Maastricht blijven wonen, hij zou daar misschien nog zitten als hij er het eerste van de twee huizen die hij achtereenvolgens op de Bosstraat heeft bewoond niet gedwongen had moeten verlaten; het was een geheimzinnig huis, een huis met een ziel, het bezat vreemde gangen en een van de hoge ruime kamers was een grot, met rotswanden waaruit water sijpelde en woudelijke planten groeiden in het mos, ik kon maar niet begrijpen hoe zoiets kon bestaan toen ik het met mijn eigen ogen zag. Acht jaar heeft hij er gewoond, hij heeft er zijn vroegste vrije werk gemaakt, zijn gezin gesticht. Toen viel het huis in makelaarshanden en de huurder kon vertrekken, het huis zelf ook eigenlijk want achter zijn gevel is het grondig verbouwd dus ga maar niet meer kijken, het is er niet meer.

In ’72 verhuisde Harrie Bartels naar Rothem en daar komt hij sedertdien nauwelijks nog voor iets anders uit dan om naar Marokko te gaan waar hij met zijn vrouw een flink deel van ieder jaar doorbrengt; tegenwoordig is het huis van hun dochter die daar gevestigd is. En ik vraag mij af hoe lang het nog kan duren voor hij daar ook zelf zich vestigt – in het verzaligend zonlicht, in de lichte natuurlijke ruimte, tussen simpele mensen die hij liefheeft omdat zij het kind zijn niet verleerd zijn door teveel civilisatie en ook, dankzij dezelfde vrijdom, in de enige door Harrie Bartels erkende zin ,beschaving hebben behouden – en of hij dan misschien nog ‘ns een enkel keertje naar hier komt.

Hij is inmiddels de vijftig al dicht genaderd, maar iets dat spectaculairder is dan ik nu al heb opgeschreven is er over zijn leven en persoon, zeker over zijn openbare leven en persoon niet te .vertellen, de media hebben nooit over hem getuit en ik denk dat je de keren op je vingers kunt tellen de series, ik bedoel: talrijke verwerkelijkingen na elkaar van steeds een en hetzelfde gegeven, die zijn oeuvre sedert de tweede helft van de zeventiger jaren vormen en waarvan de lange reeks der “vensters” die omstreeks het jaar’ 80 eindigde het voorlopige hoogtepunt van zijn kunst werd. Daar, fijner en zuiverder nog dan in zijn beste door Marokko geïnspireerde schilderijen uit de periode daarvoor, vindt men het picturale beeld terug van de eigenaardige stilte die zijn eigen wezen lijkt te vervullen. Het zijn alle weergaven van het stukje achtertuinen en gevels zoals het vanuit een der vensters van zijn woning te Rothem reeël te zien is, er zijn uiterst lineaire vertolkingen bij, bijna japans gearticuleerd, en uiterst etherische ­picturale alsof het voorgestelde achter melkglas is gezien, Thans is Harrie Bartels voor het eerst als exposant in zijn geboortestreek te gast (hij is van Tegelen afkomstig) .

Wat hij hier toont is zijn meest recente werk, een lange reeks – alweer – verwerkingen van steeds hetzelfde motievengeheel, ditmaal alle op groot formaat, groter dan ik hem tot dusver heb weten hanteren. Die omvangrijke beeldvelden heeft hij alle eerst van een tonale kleurgrond voorzien en deze vervolgens overdekt met een menigte uit een lijn getrokken tekeningen van vooral dieren ­honden, kamelen, ruitvormige platvissen (roggen) en voorts planten, takken, mensen, wat niet al. De tekeningen vormen te samen meer een patroon, een structuur, dan een voorstelling, ze blijven ook in hoge mate hun onafhankelijkheid behouden ten opzichte van het kleurbeeld, al wisselt de mate waarin dit na verschillende doorwerking het geval is van doek tot doek. Ook de oplossing van de betekenis van elke afzonderlijk getekende vorm in de abstracte .structuur die zij te samen vormen is niet volstrekt en verschilt in mate van volstrektheid niet slechts van doek tot doek, maar ook per schilderij van plek tot plek. Zo veroorzaakt de schilder wonderlijke ambiguiteiten in de perceptie, voortdurend duiken herinneringen op aan vroeger werk, maar opgaand in het andere kleurleven van het weefsel van tekens dat zij samen vormen zetten zij de tijd op de helling en maken betekenissen minder klemmend, minder benauwend, kortom hier is een bevrijdend spel ~ gespeeld. En ligt dat nu aan mij of is het werkelijk zo dat in deze doeken een ver nabeeld aan de orde is van de grotkamer in de Bosstraat? Vooral in dat waarin onder de kritselige structuur de kleurgrond een schilderij blijkt te bevatten van bleke bomen wier stammen door het hele beeldveld groeien.

Prof. Ko Sarneel
Periode 1985
Jac van den Boogard

MAASTRICHT CULTUURSTAD , MAASTRICHT ONDERWIJSSTAD 1945 – 2005 (* Maastricht beeldend kunstenaars

In de enige echte galerie die de stad rijk was in de jaren vijftig, Dejong Bergers in de Grote Staat, exposeerden kunstenaars als (1958) Piet Killaars, Rob en Marijke Stultiens, Jopie en Teun  Roosenburg. Om exposities mogelijk te maken stelde de gemeenteraad (1959) een krediet voor de Dominicanenkerk beschikbaar, maar Dejong Bergers bleef vooreerst de echt belangrijke tentoonstellingen organiseren van o.m George Rouault, Paul Citroen, Fon Klement en Pieter Defesche.

In de Dominicanenkerk werd een zogenoemde “uitneembare schilderijenzaal” gerealiseerd waarin t.g.v. zijn 25e sterfdag (1960) een expositie van het werk van Jos Postmes werd georganiseerd en in 1963 waren er mooie solo-tentoonstellingen van Edmond Bellefroid, Joep Nicolas en Guillaume Serpenti.

Een jonge generatie kunstenaars vond dit tentoonstellingsbeleid maar conservatief. In juli 1964 kwam een aantal oud-studenten van de Jan van Eyck academie in opstand tegen wat ze noemden de artistieke passiviteit in Maastricht en richtte de kunstenaarsgroep “Artishock” op. De negen leden was het er niet om te doen zelf te exposeren; ze wilden “goede” tentoonstellingen organiseren en artistieke evenementen van niveau. Tot deze groep behoorden kunstenaars als Harrie Bartels, Ad Visser, Felix van de Beek en Ger Brouwers. Ze kregen de voormalige Bristol-bar in de Jodenstraat om niet voor de duur van drie jaar als expositieruimte. Artishock gaf op 3 november 1965 een persconferentie.

Waar ging het om? “Verbetering van het culturele klimaat in Limburg” en “en de lijn die normaal bij het Van Abbemuseum in Eindhoven ophoudt, doortrekken”. Helaas had Artishock haar expositieruimte in de Jodenstraat inmiddels moeten sluiten wegens bouwvalligheid!

En er was al zo weinig expositieruimte in de stad. Dat begreep ook kunsthandel Felix. De firma opende in 1964 een tentoonstellingsruimte in Wyck, waar “een tradionele keus weliswaar – Charles Eyck als eerste exposeerde. Maastricht ” zo concludeerde de Stichting Beeldende Kunsttentoonstellingen drie jaar later ” heeft schrijnend gebrek aan tentoonstellingsruimten: Er studeren hier heel goede kunstenaars af, maar de cultuurbemiddeling en de  cultuurconsumptie laat heel veel te wensen over. Om de cultuur consumptie door jongeren te stimuleren werd besloten werk dat in het kader van de BKR (Beeldend Kunstenaars Regeling) was gemaakt, te laten rouleren op middelbare scholen en kunstenaars over hun werk te laten spreken om cultuur onder de jeugdige aandacht te brengen.

In september 1975 ging een nieuw fenomeen, de democratisering van de kunstaankoop, van start: een kunstuitleenbibliotheek van de Stichting Beeldende Kunst in de Havenstraat. Tegen een maandelijks huurbijdrage en voorts via een spaarsysteem kon men voortaan ook in Maastricht de trotse bezitter worden van een fraai kunstwerk. 1983 was het jaar waarin een grootscheepse  tentoonstelling van Limburgse kunstenaars werd georganiseerd.in Maastricht, Trajecta. Dat leverde heel wat proteststemmen op uit Limburgse kunstenaarskringen. Een aanzienlijk aantal kunstenaars weigerde deelname uit protest tegen de opzet van de tentoonstelling. In ’85 en ’87 werd Trajecta herhaald in de Eurohal.

(* Een gecompileerde versie van dit artikel verscheen eerder: Jac van den Boogard, Maastricht  cultuurstad, Maastricht onderwijsstad in vijftig jaar, in: Vijftig jaar jaarboeken Maastricht  1955-2005,)